26thSep2010

Facebook Connect And The Panoptic Model

Facebook Connect is een online systeem dat informatie delen en organiseren via het web makkelijker maakt. Facebook biedt via andere websites buiten het Facebook platform de mogelijkheid aan om gebruik te maken van Facebook Connect. Dankzij die tool is het mogelijk voor gebruikers om via de inloggegevens van Facebook in te loggen op een andere site die aangesloten is bij Facebook Connect. Foursquare maakt de stap van deze nieuwe transmediale omgeving naar de fysieke ruimte en is een dienst gerelateerd met Facebook Connect waar gebruikers naast online interesses en websites ook fysieke locaties en interesses kunnen delen. De vraag in deze paper is in welke vorm van agency Facebook Connect overlaat aan de gebruiker.

Om deze vraag succesvol aan Facebook Connect te relateren is het noodzakelijk om een theoretische basis neer te zetten. Aan de hand van theorieën die zich richten op de onderwerpen disciplinering, de databody, controlering als in structurering, en commerciële motieven moet het mogelijk zijn om de implicaties van Facebook Connect helpen te beschrijven in relatie tot de agency van de gebruikers.

Facebook Connect wordt in deze paper benaderd vanuit een optiek van surveillance om deze terug te koppelen naar een eventuele beperking of bevrijding van agency. Als basisreferentie dient een model van surveillance welke in direct contact met de mensen staat en waar deze ook actief op reageren. Dit betreft het Panoptisch model van Foucault gebaseerd op het panopticum van Bentham waar dit model van disciplinering zijn grondslag heeft in een institutionele samenleving.

Foucault stelt in Surveiller et punir (1975) dat in het panopticum niemand alleen op de troon zit en wordt deze vervangen door permanente observatie, althans zo ervaart de gevangene dat. Gevangenen worden zo intrinsiek gemotiveerd om te allen tijde gedisciplineerd te zijn zonder dat een directe externe dreiging bestaat van bijvoorbeeld de ogen van een werkelijke bewaker die een gevangene betrapt. In de samenleving zijn de instituten (bijvoorbeeld school, werk, ziekenhuis en gevangenis) de panopticums waar eenzelfde aanwezigheid van observering en examinering discipline verzorgt. De instituten zijn namelijk wijd verspreid, omsloten, en staan dicht bij de mensen. In de disciplinesamenleving gevormd door dit panoptisch model staat normering, observatie en zodoende de toetsing van het individu in de verschillende instituten waar het verblijft centraal. Er is geen sprake meer van een alleenheersende vorst die de machtsstructuur bezet van voor de moderne tijd. Macht wordt gedeeld en efficiënter gemaakt door deze instituten, waar een wisselwerking van observatie en examinering tussen de instituten voltrekt om zo dichter bij het individu en zijn potentie te komen, "De discipline vervangt het principe van 'heffing en geweld', dat de oude economie van de macht reguleerde, door het principe van 'mildheid, productie en profijt.' (p. 301). Discipline brengt een aantal voordelen, zo is een eerste bijvoorbeeld het terugdringen van massaverschijnselen (buitenveld van de gevangenis ten opzichte van de cel) dat individuele potentie afzwakt. Ook vanuit de andere kant is het mogelijk om juist gebruik te maken van het individu om persoonlijke kwaliteiten te combineren en zo een efficiënte 'menigte' te creëren voor bijvoorbeeld het bedrijfsleven. En ten slotte, met de intrinsieke disciplinering van het panopticum in het achterhoofd, om zo machtsverhouding in de samenleving zelf te doen ontstaan en niet op te leggen (p. 303).
Paradoxaal betekent deze disciplinestructuur binnen de instituten in zekere zin ook het veroorzaken van "des-institutionalisering" (p. 291) aangezien het panoptisch model in ieder instituut decentraal toegepast kan worden en de observaties van het individu in deze instituties gedeeld wordt tussen de instellingen om zo disciplinerende procedures op te kunnen stellen (p. 291-292). De panoptische discipline betekent het verbinden van de verschillende instellingen en hun observatiekracht om zo de hele samenleving tot in de uithoeken te bereiken (p. 298), een vorm van algemeen toezicht.

Het is interessant om te kijken of Foucault's theorie een toepassing krijgt in een informatiesamenleving waar nieuwe media een individu medieert en zich zodoende niet gemakkelijk laat opnemen binnen instituties. De instituties worden doorbroken door de komst van consumententechnologie. Waar het voor het individu van voor de informatiesamenleving het niet mogelijk was om contact buiten het instituut te hebben, zorgt de consument, gebruikmakend van mediatechnologie, voor het doorbreken hiervan. Vandaar dat er een nieuwe consument-institutie (bijvoorbeeld de institutie van de arbeider/student/gevangene) verhouding (Rogers, 2008: p. 1) ontstaat die de instituties doorbreken en de gemeenschappelijke connectie met de consument en zijn technologiefetisj benadrukt. De vraag is in hoeverre de nieuwe media en de datasporen die deze individu achterlaat in deze informatiesamenleving weer opgenomen kan worden in een panopticum. Welke betekenis heeft nieuwe media voor de mogelijkheden tot meer of minder agency voor zowel de observeerder als de geobserveerde.

Om het panopticum zijn werkt te laten doen moet het individu omsloten worden om deze te kunnen onderscheiden, in Bentham's panopticum is dit de cel. De moderne mens leeft echter in een mobiele samenleving met mediatechnologie waar een soortgelijke omsluiting problematisch wordt. Dit in tegenstelling tot de eerdere samenleving omschreven door Foucault (1975) waar de verplaatsing van mensen beperkt was tot de instituten en communicatie niet ver reikte. Toch biedt Simon (2005: p. 10) hier een perspectief aangezien de moderne mobiele samenleving alsnog omgeven is door omsluitingen, zowel fysiek (plaatsen zoals achter de computer, in het vliegtuig, voor de televisie) als cultureel (concepties als uitgaan, thuis, studeren). De mensen moeten echter zelf aangeven waar ze zich begeven, "All that panopticism arguably requires of us is segmentation and differentiation, the marking of our passage from one spatial and cultural zone to the next." (Simon, 2005: p. 10).

Al deze differentiatie zou echter een chaos creëren. Er is daarom ook algemene gedeelde culturele kennis en gedragscode nodig welke aangeeft wanneer men een nieuwe omgeving betreedt en wel discipline daar toegepast moet worden, een soort van culturele omsluitingen. Deze algemene laag wordt gecreëerd door synopticisme, welke Simon ziet als een samenkomen en een complementeren van twee op het oog tegengestelde ordeningen. "one can draw on media theory to argue that the synoptic function of media is to produce a more or less homogenous knowledge and culture that will ideally be shared by ever larger and more diverse populations across space and time (even if this is not the case in practice)." (Simon, 2005: p. 10). Via synopticisme moet deze cultuur en discipline overgebracht worden van centrale vertegenwoordigers hiervan naar de hele samenleving. Doordat bepaalde figuren een meer centrale rol hebben in de samenleving wordt door hen tevens een centrale cultuur vertegenwoordigd en doorgegeven aan de grote menigte. Niet alleen maakt synopticisme het mogelijk om het panopticum cultureel toe te passen, ook zorgt het synopticisme  van de media er voor dat niemand buiten het panopticum verblijft. Iedereen kan via mediatechnologie elke groep in de samenleving observeren, niemand ontkomt er meer aan (Haggerty & Ericson, 2000: p. 14). Het torentje van het panopticum wordt toegankelijk voor iedereen zodat geen enkele cel wordt uitgesloten. Zo kan op straat het werk van de politie met mobile telefoons worden vastgelegd en kan via Twitter menig politicus door iedereen worden aangesproken. Deze situatie vormt dan ook de rhizome structuur van een horizontaal gewortelde vorm van surveillance waar "no major population groups stand irrefutably above or outside of the surveillant assemblage." (Haggerty & Ericson, 2000: p. 618).

Deze ontwikkelingen maakt het panopticum in de informatiesamenleving potentieel nog beter toepasbaar doordat iedereen erin opgenomen kan worden en omsluiting ook in de nieuwe situatie van mediatechnologie en mobiliteit kan worden toegepast. Toch is hiermee nog geen invulling gevonden voor het hoofdzakelijke probleem van het panopticum met de intrede van de nieuwe media welke de instituten buiten spel zetten. Het verdwijnen van de institutionele machten betekent namelijk het verdwijnen van registratie en controle waar de instituten altijd zorg voor droegen. Er dient een nieuwe vorm van registratie, de werkelijke observering, gevonden te worden. Deze voorwaarde die Simon opwerpt kan worden ingevuld door de onomsloten en dus overal vrije toegankelijkheid van de nieuwe media zelf. Zoals Barlow in zijn A Declaration of the Independence of Cyberspace (1996) al duidelijk maakt is de cyberspace een nieuwe grenzeloze wereld betreft welke tevens niet wordt begrensd door het fysieke; "Ours is a world that is both everywhere and nowhere, but it is not where bodies live." (p.1). Dit roept de vraag op hoe een panopticum in stand kan worden gehouden zonder dat de geobserveerde zelf aanwezig is. Net zoals Barlow cyberspace als de nieuwe wereld betoogd bovenop de bestaande, ligt de sleutel ook bij een nieuwe vorm van het lichaam; "Today, however, we are witnessing the formation and coalescence of a new type of body, a form of becoming which transcends human corporeality and reduces flesh to pure information. Culled from the tentacles of the surveillant assemblage, this new body is our 'data double', a double which involves 'the multiplication of the individual, the constitution of an additional self.'" (Haggerty & Ericson, 2000: p. 613). Het web maakt de totstandkoming van de data double mogelijk door het verzamelen en opnemen van de interactie en input van de gebruikers in cyberspace. Deze data double is een bijkomende identiteit als gevolg van de vertaling van een persoon naar een database, hier liggen twee oorzaken ten grondslag. In de eerste plaats worden de data double's gevormd deels losstaand van deze directe interactie in relatie met de persoon. De structuur van de database bestaat uit voorbestemde invoervelden in een bepaald formaat welke onderling gekoppeld worden die wellicht in eerste instantie geen relatie met elkaar hebben buiten deze database (Poster, 1990: p. 96). Ten tweede is er de onwetendheid bij de persoon over wat er werkelijk met de data double gedaan wordt of dat deze bestaat. De persoon achter - waar 'achter' al de positie van de data double impliceert - deze data double kan zonder weten benadeeld worden door beperking (door het missen van nuancering of ambiguïteit) of veranderingen in de database (Poster, 1990: p. 97).
Deze situatie benoemd Poster als het superpanopticum, "Today's "circuits of communication" and the databases they generate constitute a superpanopticon, a system of surveillance without walls, windows, towers or guards" (Poster, 1990: p. 93). De deelnemers in dit systeem zijn in dit geval de consumenten die zelf bewust gedisciplineerd worden door het superpanopticum. Omdat het superpanopticum in stand wordt gehouden door datavergaring en -opslag moet data en identificatie op zoveel mogelijke plaatsen en manieren aangeleverd en gekoppeld worden door de persoon zelf. Voorbeelden hiervan is het burgerservicenummer, rijbewijs, creditcard en een bibliotheekpasje, "the individual must apply for them, have them ready at all times, use them continuously." (Poster, 1990: p.93).

De vraag is in hoeverre het fysieke lichaam nog in contact staat met de data double, ofwel welke gevolgen ze voor elkaar hebben. Voor het fysieke lichaam zorgt sporten voor betere fysieke capaciteiten maar zal geen weerslag hebben op de data double. Anderzijds zal de highscore met een online basketbalspel toegeschreven aan de data double nooit een voordeel opleveren voor het fysieke lichaam. Toch zijn er ook gevolgen binnen het superpanopticum te bedenken waar ze wel in directe relatie met elkaar staan. Als voorbeeld hiervoor kan de kinetic elite dienen (Rogers, 2008). Zo bestaat er net zoals voor de traditionele elite in de fysieke wereld ook een elite voor databody's. Een vorm waar het fysieke lichaam direct voordeel heeft van de databody is Schiphol's Privium waar de kinetic elite door een goed ontwikkelde databody met alle benodigde gegevens via de oog scan poortjes bij de luchthavens voorbij kunnen lopen (Rogers, 2008: p. 4) en zodoende eenvoudig door de ruimte kunnen bewegen. De kinetic elite met hun goed ontwikkelde profielen zijn bevoordeeld in de ruimte ten opzichte van de minder digitaal ontwikkelde personen die benodigde gegevens voor hun databody missen. Ook in de virtuele wereld is ruimte voor de kinetic elite. Zo zal in World of Wardcraft en andere RPG's de erg actieve en fanatieke spelers veel meer bevoordeeld zijn met extra verworven objecten en krachten dan de meer casuele spelers.

Er is nog een tweede aspect dat belicht moet worden om de mate van agency in een informatiesamenleving te bepalen. Deze eerste theoretische basis richt zich op het individu zelf; hoe deze gedefinieerd wordt in deze samenleving en zich zelf in steeds grotere mate disciplineert om hier in deel te nemen. De tweede invalshoek betrekt het systeem zelf en hoe deze omgaat met deze positie van het individu en de mate waarin het individu hier vrij in laat. Een overgang van beide perspectieven wordt geboden door de "internet of things" waar onze fysieke omgeving is omgeven door objecten met netwerkmogelijkheden (Kraneneburg, 2008: p. 6) die helpen de databody's van de mensen in te vullen. In een huidig informatiesamenleving zou dit objecten zijn zoals de RFID-chip, GPS apparatuur en mobiele telefoons, apparatuur dat overal om ons heen aanwezig is. Kranenburg gebruikt een model waarin een stad in twee situaties de "internet of things" op een andere manier aanwent. Dit steden model is door David Brin in de jaren '90 bedacht in een situatie waar de "internet of things" zich nog niet een ver stadium bevond maar meer berustte op afstandelijke surveillance zoals met name camera's (Kranenburg, 2008: p. 5, 8). Een van de steden, de City of Trust, beschrijft de positie van de bewoners welke in deze stad de controle voeren over de overal aanwezige observatie- en registratieobjecten en ook te allen tijde kunnen kiezen om deze aan of uit te zetten en door iedereen te raadplegen zijn. Een situatie die het meest van toepassing lijkt voor deze stad, is een sociaal gestructureerde samenleving waar bewoners zelf actief de muren van het panopticum omhoog blijven houden en het synopticisme zorgt dat dergelijke objecten voor iedereen toegankelijk is en iedereen bereikt.
De tweede stad beschrijft een situatie waar dezelfde objecten niet worden gecontroleerd door de samenleving maar door een derde partij buiten het individu en de samenleving waar, zonder dat het individu expliciet toestaat en bewust van is, gegevens worden verzameld. Elke vorm van observatie en registratie is geoorloofd welke verder gaan dan alleen de ouderwetste camera's "by tags embedded in your gadgets or in your clothes or even under your skin. Transmitted wirelessly and instantly they connect with satellite systems that record your digital footprint endlessly." (Kraneneburg, 2008: p. 6). Deze stad bevindt zich in de situatie van de City of Control, "It is a place where the deployment of radio frequency identification tags (RFID) have become not just commonplace but ubiquitous. Objects, spaces and, yes, even people are tagged and given a unique number, just like web addresses are today." (Kranenburg, 2008: p. 6).

Deze laatste zin van Kranenburg geeft in zekere zin een vorm van protocollering aan. Om gegevens grootschalig in het netwerk van "internet of things" uit te wisselen is er een onderlinge technische standaard nodig; "At the core of networked computing is the concept of protocol. A computer protocol is a set of recommendations and rules that outline specific technical standards." (Galloway, 2004: p. 6). Protocol zorgt voor deze standaarden in netwerkomgevingen om een structuur van informatieuitwisseling vast te leggen, "[l]ike their diplomatic predecessors, computer protocols establish the essential points necessary to enact an agreed-upon standard of action." (Galloway, 2004: p. 7). Omdat protocollen een systeem vormen van onpartijdige en neutrale voorwaarden brengt dit zowel vrijheid als beperking: "protocol is based on a contradiction between two opposing machines: One machine radically distributes control into autonomous locales, the other machine focuses control into rigidly defined hierarchies. The tension between these two machines - a dialectical tension -creates a hospitable climate for protocological control." (Galloway, 2004: p. 8). Dit betekent dat in eerste instantie het protocol vrijheid van communicatie distribueert over het hele netwerk zoals het TCP/IP protocol voorstaat, maar dat het tegelijkertijd ook beperkt doordat het content homogeniseert omdat alles binnen het protocol en de hiërarchie van protocollering moet passen van bijvoorbeeld groot toegepaste protocollen als HTML en DNS. Kort gezegd kan iedereen gebruikmaken van netwerk- en communicatiesystemen, mits men dit doen volgens de standaarden van het protocol en is dus "a technique for achieving voluntary regulation within a contingent environment" (Galloway, 2004: p. 7).

De vraag is in hoeverre Facebook Connect agency toevoegt of afneemt bij de gebruiker van de dienst. Om te beginnen bij het panopticum zoals toegepast door Foucault, is Facebook Connect deel van de des-institutionalisering en dus in eerste instantie een bedreiging voor het panopticum. Doordat Facebook Connect het mogelijk maakt voor gebruikers om te allen tijde eenvoudig gebruik te maken van diensten en netwerken buiten de institutionele omgevingen is de panoptische cel doorbroken. Waar Simon (2005) ook al op aanstuurde is dat individuen in deze situatie zelf grote mate van zelfdisciplinering moeten toepassen om zelf aan te geven waar ze zich bevinden. Dit betekent het ontwikkelen en actief bijhouden van een data double via Facebook Connect. In het superpanopticum van Poster (1990) wordt deze discipline al gevraagd om gebruik te kunnen maken van de bibliotheek en het huren van een auto. Alleen in het superpanopticum is er sprake van dergelijke situaties wat een transactie tussen de vrager en aanbieder vergt waar de aanbieder eisen kan stellen zoals het gebruik maken van een registratiesysteem. Deze situatie is niet van toepassing op Facebook Connect waar geen onderscheid bestaat tussen de vrager en de aanbieder. Facebook is onderdeel van alledaagse sociale interactie wat in de samenleving is gegroeid en niet eenzijdig is opgedrongen voor handelsrelaties. Dit betekent dat wanneer iemand geen gebruik maakt van Facebook of deze niet actief bijhoudt, diegene buiten de sociale interactie valt en verdwijnt voor de online sociale gemeenschap van de kaart. Het gevolg hiervan is een omgekeerd panopticum; het is niet het instituut dat de cel van een individu maakt en afkadert doormiddel van registratie en observatie, maar de Facebook gebruiker die via Facebook Connect een eigen cel creëert door mensen en Facebook overal in het eigen leven te laten kijken. Het torentje is nu bewoond door de sociale relaties van de Facebook-gebruiker bij wie de gebruiker in tegenstelling tot instituties niet uit het oog verloren wil worden. Deze situatie schrijft een hoop agency toe aan de gebruikers die zelf actief een data double moeten creëren om deel te nemen aan sociale interactie.
Wanneer sociale interactie steeds meer gaat afhangen van de databody via mediatechnologie zoals Facebook is er ook een relatie te zien welke terugslaat op het fysieke lichaam. Foursquare is een situatie waar de mogelijkheden tot fysieke bewegingsmogelijkheden toenemen door informatie te ontvangen en te delen via bijvoorbeeld Facebook over locaties en evenementen. In dit geval kan de door Foursquare gevormde databody worden toegedeeld tot de kinetic elite. Via een combinatie van Foursquare en Facebook is de kinetic elite in fysieke vorm bevoordeeld waar zij meer evenementen en activiteiten te zien krijgen en kunnen ondernemen dan gebruikers die niet deelnemen.
Is er hier sprake van een vorm van discriminatie op basis van de data double welke verschillen in ontwikkeling? De vraag die hierbij gesteld kan worden is waar de nadruk ligt bij Facebook Connect, bij de data double of bij de werkelijk acties van de persoon? "Yet, as the supervisory operations of the superpanopticon shift from actual to databased selves Poster's theory of subjection through interpellation runs into trouble. Once the database is in place,  it hardly seems to matter what actual subjects think or do since it is  increasingly the case that databased selves can simply fill out their own forms." (Simon, 2005: p. 17).

Vanuit het oogpunt van Facebook Connect zelf en niet vanuit die van de gebruiker zijn er andere observaties te maken. Facebook Connect is een voorbeeld van een protocol dat informatie-uitwisseling tussen verschillende autonome websites mogelijk maakt. Net zoals de diplomatieke voorgangers laat ook Facebook geen ruimte voor invulling van het protocol over aan de gewone gebruikers. Er is ook hier een panoptische relatie te vinden waar Facebook Connect het panopticum in ere herstelt. Facebook Connect recreëert institutionele verbanden door onderlinge verbanden tussen de verschillende autonome websites en Facebook te maken. Het protocollering- en opslagsysteem van Facebook kan via Facebook Connect overal aanwezig zijn via deze autonome websites die nu partner geworden zijn. Er is geen sprake van een consumer-instituut dat doorbroken is door mediatechnologie zoals Roger (2008) beschrijft maar een consumer-Facebook waarin de verschillende instituten deel uit kunnen maken met dank aan mediatechnologie en protocollering van Facebook Connect. Elk mogelijke website zou via Facebook Connect deel uit maken van hetzelfde systeem.
Via deze insteek moet men wel de commerciële gedachten en implicaties van Facebook Connect in het achterhoofd houden en op welke manier deze inslag hebben op de agency van de gebruiker. Een combinatie van drie kunstwerken geeft weer hoe Facebook Connect en zijn protocol (waar ook gebruikersvoorwaarden deel van uitmaken) omgaan met de gebruiker. Bodies(c)INCorporated (Victoria Vesna, 1996-9) stelt de beperkingen centraal in de commerciële wereld. Deelnemers moeten eerst verschillende condities en reglementen accepteren voordat ze gebruik kunnen maken van de tool dat in het kunstwerk zit. Een tweede gevolg van Facebook Connect is het onder contract staan met de gebruikersvoorwaarden van Facebook. Het kunstwerk A Tool to Deceive and Slaughter (Caleb Larsen, 2009) (website) vertegenwoordigt deze situatie: "The contract has been established in order to ensure that the work exists as it is intended and that those purchasing are committed to maintaining it in a way that preserves the original intentions of the work." (Larsen, 2009: p. 32). Net zoals met A Tool to Deceive and Slaughter wordt gedemonstreerd is de werking en toepassing van Facebook uit handen van de gebruiker. Dit vraagt bij de gebruiker om een instelling die wordt geïmpliceerd door The Whatever Button (Michael Stevenson, 2007) waar niemand nog stilstaat bij de informatie die iedereen weggeeft volgens het 'contract' van de gebruikersvoorwaarden. Facebook Connect is in dit opzicht één grote 'whatever button' omdat gebruikersvoorwaarden maar eenmaal hoeven te worden geaccepteerd en vervolgens heeft elke partnerorganisatie toegang tot de gehele databody.

In welke mate van agency bevindt de Facebook-gebruiker zich wat wordt beschreven aan de hand van beide invalshoeken: de City of Control of de City of Trust? Enerzijds is er het bedrijfsmatige en commerciële aspect van de City of Control waar gebruikers het protocol van Facebook Connect gebruiken zonder zelf actief bewust te zijn van de implicaties. Anderzijds is er de City of Trust waar de gebruiker centraal staat en zijn interactie met sociale peers waar iedereen alles van elkaar laat weten waardoor ook iedereen elkaar kan observeren wat precies het omgekeerde panopticum voorstelt. Er lijken zodoende twee invloeden op agency te zijn. Waar Facebook Connect voor zorgt is dat er geen registratie procedures meer zijn en op deze manier een nog eenvoudiger en gestroomlijnder web ontstaat, maar maakt deze ontwikkeling het web niet een persoonlijker en groter 'recommended' web waar agency op deze manier steeds meer afneemt? Aan de andere kant maakt Facebook Connect het mogelijk voor gebruikers om overal zowel offline, via diensten als foursquare, als online, via de partner netwerken, persoonlijke informatie volgens een grote eigen invulling met anderen te delen. Kortom: Neemt het toe omdat je overal jezelf eenvoudig kan laten horen, of neemt het af omdat je in de Facebook Connect structuur bevindt waar je overal jezelf moet disciplineren om te laten merken waar je bent en wat je denkt volgens de regels van Facebook?

References

Barlow, John Perry. A Declaration of the Independence of Cyberspace, 1996.

Foucault, Michel. Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis. Translation of Surveiller et punir, 1975. Groningen: Historische Uitgeverij, 2007: p. 270-313.

Galloway, Alexander. Protocol: How Control Exists after Decentralization. Cambridge: MIT Press, 2004: p. 2-27.

Haggerty, Kevin and Richard Ericson. The Surveillant Assemblage. British Journal of Sociology, Vol. 51(4), 2000: p. 605-622.

Kranenburg, Rob van. The Internet of Things. A critique of ambient technology and the all-seeing network of RFID. Institute of Network Cultures, Amsterdam, 2008: p.5-9.

Larsen, Caleb. The Value of Nothing. Rhode Island: Convention Center in Providence, 2009.

Poster, Mark. The Mode of Information. Chicago: UCP, 1990: p. 69-98.

Rogers, Richard. Consumer Technology after Surveillance Theory. Mind the Screen. AUP, 2008.

Simon, Bart. The Return of Panopticism: Supervision, Subjection and the New Surveillance. Surveillance & Society, Vol. 3(1), 2005: p. 1-20.

Van Dijck, José and Nieborg, David. Wikinomics and its discontents. A Critical Analysis of Web 2.0 business manifestos. Media, Culture, and Society, Vol. 11(4). SAGE, 2009.

Comments

Add Comment